zaterdag 27 februari 2010

Overland Track, dag 0

De Hollings voeren me 's ochtends naar Devonport waar de bus vertrekken zal. Afscheid ging verbazend makkelij,m aar dat is eigenlijk weinig verwonderlijk: de kinderen zijn gewend aan mensen leren kennen voor een paar dagen/weken alvorens afscheid te nemen.

Daar ter plaatse koop ik pas mijn ticket (de website had geschreeuwd MAKE RESERVATIONS IN ADVANCE), en natuurlijk is er nog hopen plaats op de bus naar Cradle Mountain. Aan de halte ontmoet ik een Beier genaamd Max(imilian) met een identiek plan als het mijne voor de komende week, maar om een of andere reden raakt het gesprek nooit echt op gang voorbij de standaardvragen en -antwoorden. Ik voltooi de rit in stilte, wat naar buiten kijkend en doezelend en nadenkend. Kampplaats vinden op de camping van Cradle Mountain is ook makkelijk, en ik spendeer een lege namiddag die alleen opgevrolijkt wordt door The Great Gatsby en het ophalen van mijn parkpas en landkaart.

De informatie op de kaart vertelt me dat ik nogal onvoorbereid ben*, en TGG bewijst dat een grandioze stijl niet garant staat voor een goed verhaal en/of een interessante leeservaring. Lizzie heeft me teleurgesteld ! Ik hoop het boek uit te lezen voor avondval, en vrees dat mijn mening erover niet meer herzien zal worden. Daarna ben ik alleen met mijn pen en papier en camera overgeleverd aan de grillen van de Tasmaanse wildernis. Geen ongelezen boeken, alleen duizend ongetemde gedachten in het regenwoud.

* Dingen die ik hoor te hebben, maar niet heb: waterdichte kleren, een jas, wandelschoenen (ik heb slechts mijn sletsen met hun gladde zolen), een rugzakbeschermer, een goede slaapzak (mijn vod is geschikt voor 12 tot 18 graden, en het vriest hier meestal 's nachts), een slaapmatje, een zaklamp, een wandelstok, een gasbrandertje, een kompas. En vast nog wat andere dingen, maar dat besef ik nu nog niet.

Mijn etensvoorraad maakt ongeveer de helft van mijn rugzak uit. Ik heb een brood, honing, diverse soorten snacks, rice krispies, noten, gedroogde abrikozen en rozijnen, alles samen goed voor ongeveer 6 kg en 50000 kJ. Ik hoop daar 7 of 8 dagen op te overleven - want dag 0 is ook een dag, en ik heb al de helft van mijn brood opgegeten ^^

WWOOFing, pt. 4

Op vrijdag hak ik eindelijk de knoop door dat ik de Overland Track ga doen, en beslis om op maandag te vertrekken. Ik maak mijn reservatie zonder veel problemen, maar ik besef niet dat ik me vergis van datum. Kalenders die per week geschikt zijn, beginnen in Australie namelijk altijd met de zondag ipv de maandag, en dus wordt mijn boeking voor de zondag geregistreerd, zonder dat ik het doorheb. Pas na de betaling zie ik dat de datum de 21e is en niet de 22e, zoals gepland. Dat verandert een aantal dingen, want de bus van Devonport naar Cradle Mountain rijdt niet op zondag en dus moet ik al zaterdag vertrekken en een dag kamperen. Na de dagelijkse houthakkerij - Jhetty mag de kettingzaag eens gebruiken en zwijgt daar voor de rest van de dag niet over - ga ik naar de lokale Woolworths supermarkt en ik sla allerlei goedkoop en energierijk voedsel in. Daarna gaat Archer naar een verjaardagsfeesje en de hele familie doet wat mee, de ouders helpen met organisatie en Jhetty speelt met de andere bebis. Ik blijf in de auto want ik ben plots gehaast om mijn bibliotheekboek uit te lezen.

Dat boek is "flow my tears, the policeman said" van Philip K. Dick. Ik ben niet onder de indruk van zijn pogingen om een zo dystopisch mogelijke toekomst te construeren, noch van zijn fantasietoestellen waarvoor hij natuurlijk moet vertrekken uit zijn kennis van de beschikbare technologie van de jaren 70, noch van zijn verhaalskills. Het mysterie dat opgeroepen wordt is veelbelovend, maar wordt uiteindelijk op een gewoonweg teleurstellende manier verklaard. Ook de filosofische implicaties van de politiestaat en genetische manipulaties die hij aanhaalt zijn vaag en zweverig.

's Avonds gaan we barbecuen aan het rivierstrand waar ik de vis gevangen heb, en terwijl de bebis rondhossen babbelen Prue en Onno en ik wat over de hele reiservaring, bebis opvoeden, mannen en vrouwen, kortom de hele reutemeteut. De speeltuin wordt wat levendig gehouden door een groepje tieners die roken en kattekwaad uithalen. Archer is keihard gefascineerd, en Onno zucht "that one's gonna be a handful" en we lachen wat, beseffend dat we alledrie zelf a handful waren in onze adolescentie.

WWOOFing, pt. 3

WiFi'en komt er niet van, want we zijn een beetje te laat in Ulverstone, en Onno staat ons al op te wachten. Hij kent Robin blijkbaar via via, en een kort gesprekje later stap ik in zijn minibusje. Op de achterbank daar zit een klein blond langharig schepsel, op dat moment nog sekseloos, dat Onno aan me voorstelt als /atsja/. Ik versta er Atia in, en neem aan dat het kind ooit zal menstrueren. Onno komt uit de noordwestelijkste hoek van Duitsland, en woont al 20 jaar Down Under. In de rit naar de boerderij babbelt hij wat over zijn werkavonturen als souschef in NY en London alvorens definitief te emigreren naar hier.

Ik ben gewaarschuwd dat er een soort feesje plaats aan het grijpen is op de boerderij, van de Australian Breastfeeding Association nog wel. Een zestal families zitten daar te wachten tot Onno terug is om zelf samengestelde pizza's in de houtoven te steken, en ik maak snel kennis met de situaties van allerhande gezinnen. Ik heb een ietwat lang uitgesponnen gesprek met een professioneel pianostemmer - de enige in Tasmanie - en zijn Duitse vrouw over muziek en taal en de hilarische aandachtszoekers die kinderen per definitie zijn. Tijdens een van de korte gesprekjes met Onno zelf ontdek ik ongemerkt dat Atia een jongen is, en ik verneem dat hun andere spruit ook nog ergens rondloopt. Dat heet voorlopig iets als /dzjedi/, en op dat moment neem ik aan dat ik waarschijnlijk pas zal weten hoe het precies heet als ik eens de spelling vraag aan een van z'n ouders.

Het feesje eindigt met bijzonder veel fruit en wat gesprekken over Fawlty Towers, waarbij we vooral "Don't mention the war" vaak herhalen, omwille van de duidelijke Duitse presence in het gezelschap. Nadat de andere gezinnen huns weegs gegaan zijn, eten we nog een paar pizza'tjes van het aan kracht verliezende ovenvuur. Onno haalt een klein tafeltje en twee stoelen tevoorschijn, en daarop staat het antwoord op mijn prangende en ongestelde vraag: de oudste jongen heet Archer en is net zes geworden, de jongste is Jhett en drie jaar oud.

Even later vraagt Archer me of ik een laptop mee heb, en of hij 'm eens mag zien. We spelen wat schaak - het kind kent de basisregels al goed - en daarna ontdekken we samen de functies van de webcam die geinstalleerd is op het machientje. We maken wat filmpjes met vooral gekke bekken en de standaard absurde video-effectjes, die op het moment zelf hilarisch zijn maar achteraf slechts matig interessant blijken. Het kind is dol op me en vraagt zich luidop af hoe hij het visuele effectje zo kan manipuleren dat het lijkt alsof hij me knuffelt. Even later gaan we wat op de huiscomputer spelen, het spelletje Sim City 4 om precies te zijn. Archer kan amper lezen (de maandag erop begint zijn 2e week school), maar hij heeft wel een betrekkelijk goed gevoel voor hoe het spel ineen zit. Op een uurtje tijd heeft ons stadje 500 inwoners en een paar industrieen, en hij vertelt dat hij wat heeft leren lezen via het spelletje en wat zijn moeder ervan voorgelezen heeft.

Aan het avondeten willen beide kinderen aan mijn zijde zitten, en ze babbelen de hele tijd door over allerlei grappige kinderonzin terwijl ik aan Prue en Onno probeer uit te leggen hoe mijn situatie er thuis uitziet. Na het eten eist Jhett meer mijn aandacht op, vooral met de vraag of ik hem wil rondzwieren en opvangen en duizelig maken en al. Ook hij vindt me blijkbaar nogal nice, vooral omdat ik blijkbaar onvermoeibaar ben bij het spelen en rondhossen met hem - daarmee verras ik trouwens ook mezelf. Hun luidheid stoort me niet want ze zijn wel grappige kinderen, en veel zachtaardiger en beleefder dan Alex bij de familie Krabbe, die een te duchten temperament heeft. Jhett slaapt bij zijn ouders en krijgt nog borstvoeding van Prue, en hij eist dat ik in hun kamer slaap die avond. Prue grapt dat dat geen deel is van de WWOOFing-experience, en ik ben blij dat ik niet zelf hoef te weigeren.

Op maandag gaan Onno en Jhetty en ik naar een uithoek van het terrein om brandhout te verzamelen. Onno zaagt een paar bomen om met de grote kettingzaag, en ik laad het brandhout van een van de vroeger omgezaagde bomen op de remorque. Jhett zoekt intussen naar hagedissen en spinnen en kevers tussen het hout, en zegt de hele tijd door "look here" zoals alleen Australische bebis dat doen. Het kleinhout van de takken wordt op een gigantische hoop gegooid en in de fik gestoken. Dat vuur verspreidt een enorme hitte, tot zeker 5m van de eigenlijke brandhaard. Intussen is Archer brullend van nijd naar school vertrokken met Prue, en wanneer we haar zien bij het middageten, zegt ze dat hij de hele weg van thuis tot aan de klasdeur gehuild heeft. Het blijkt dat ze meer en meer beginnen te denken om Archer, en later ook Jhett, te homeschoolen. Er is namelijk geen schoolbus die in de buurt passeert, en het is ruim 20min rijden naar de school.

Na de middag gaan we terug naar voornoemde uithoek om de rest van het brandhout op te kuisen. Jhett probeert een bebivuurtje op te stoken met een klein beetje van het kleinhout, en ik help hem wat tussen het houtbloksmijten door. School is gedaan om 2u30 en we gaan Archer met het hele gezin ophalen, om daarna naar het strand te gaan. Wanneer ik terugkom van mijn eerste zwemtocht, speel ik een beetje met Jhetty in het laagwater, terwijl Onno wat dieper surft en Archer bodyboardt. Ik til de kleine iedere keer in de lucht wanneer er een golf komt, en hij krijgt buikkriebels en giechelt de hele tijd door.

's Avonds willen de kinderen Uno spelen. Jhetty kent echter de cijfers nog niet, en heeft blijkbaar ook weinig besef van kleur. Elke keer het aan hem is, legt hij gewoon een kaart en moeten wij zeggen of ze past of niet, en of hij een kaart moet nemen. Het enige dat hij bijna consequent juist doet, is Uno (hij spreekt het uit als joenui) zeggen als hij maar 1 kaart heeft. De pommregel is duidelijk aan hem nog niet besteed. Daarna spelen Archer en ik samen wat Sim City, maar we slagen er niet in om de steden die we bouwen rendabel te maken. Daarom laten we wat vulkanen uitbarsten en meteoren inslaan, om het wat leuk te houden.

Op dinsdag kappen we voor de middag twee uur lang de grote ronde houtblokken in parten, en na de middag nog een uur. Het duurt een tijdje voor ik doorheb hoe het moet, en hoe ik de kracht in de zware splijthamer kan maximaliseren, maar daarna gaat het betrekkelijk vlot. Keihard werk wel, en ik hou er nogal wat spierpijn aan over. Daarna gaan we vissen.

Ik heb nog nooit in mijn leven gevist, maar ik heb duidelijk beginnersgeluk. Na een paar vruchteloze "nibbles" haal ik algauw een vis van bijna 15cm binnen, maar we gooien hem terug want hij is blijkbaar te klein. Een kwartiertje later heb ik weer beet, een van ruwweg 25cm die blijkbaar groot genoeg is om te houden. Jhetty zegt de hele tijd dat hij overal weally big fishes ziet en dat hij one day een weally big fish gevangen heeft en dat hij er nu een beet heeft. Het blijkt vooral om waterplanten te gaan, maar hij vangt toch eens een klein visje dat we ook teruggooien. Voor de rest houdt hij zich bezig met het vermassacreren van het beest dat ik gevangen heb, met het mes waar hij eigenlijk niet mee mag spelen.

Prue komt terug van winkelen en we picknicken bij de rivier. Jhett brabbelt de hele tijd dat hij grote vissen gevangen heeft en als Prue vraagt "really ?" zegt hij nee. Daarna gaan we een koffie gaan drinken in de plaatselijke boekenwinkel, en ik lees een verhaaltje voor aan Jhetty, iets over een gelukkige rat die maar kort leeft. De dochter van de uitbaters is een fris uitziende girlnextdoor genaamd Lizzie, en we babbelen kort over bushwalking. Ik heb het namelijk in mijn kop gehaald om de Overland Track te doen, een uitgebreide bushwalk van 65km gespreid over 6 dagen. Zij vertelt allerlei kleine verhaaltjes over haar ervaringen, en ik put wat uit de onzin die ik meegemaakt heb met de vier Waalse dames. Eens mijn thee op is, moeten we Archer ophalen.

Op woensdag blijf ik thuis terwijl het gezin minus Archer de hele dag rondhost naar overal. De spierpijn waarmee ik opgestaan ben, vermindert gelukkig gauw, maar ik blijf wat kribbig lopen. Ik lees Crime and Punishment uit in de hangmat, en begin in The Great Gatsby dat Lizzie me aanried, en dat Onno voor me gekocht heeft. Over de middag maak ik een omelet met wat leftovers uit de groententuin, en ik stretch mijn moede leden wat. 's Avonds gaan we met ons allen flyfishen, maar we vangen niets.

Op donderdag volgt ongeveer een herhaling van dinsdag, met als uitzondering dat we over de middag mijn vis opeten. Archer blijft thuis, omdat hij een dag vrijaf afgedwongen heeft met zijn nimmer stoppende schooltranen. We spelen wat met zijn Lego, iets dat ik niet meer vastgehad heb sinds de eeuwwisseling, en gaan om 4u naar de boekenwinkel waar het dan voorleesuurtje is. Ik wissel weer wat woorden met Lizzie over mijn beslissing om maandag te gaan Overlandtracken, en daarna gaat het gezin opnieuw naar het strand. Ik vermoei me met het in het rond gooien van Jhett en Archer, en vertel die laatste dat hij binnen 6 jaar meisjes leuk gaat beginnen vinden. Hij gelooft me natuurlijk niet, en herhaalt dat meisjes stom zijn. Ik zeg I like Lizzie en hij giechelt, en zegt dat ik te oud ben om een lief te hebben. Daarna zeg ik dat zijn papa veel ouder is dan ik en toch ook een lief heeft, en vertel ik over mijn grootouders die elkaar al 65 jaar kennen. Hij kijkt er zwaar naar uit om homeschooling te krijgen, want de school bezorgt hem blijkbaar heel veel angst. Geen wonder eigenlijk, 't zijn kaloten !

's Avonds bij het eten vraagt Jhetty mij "you wanna cut the cheese ?" en iedereen barst in lachen uit. De kleine heeft geen idee waarmee we lachen, maar we pesten hem wat door het niet uit te leggen. Zijn verhaaltjes over dat hij schorpioenen en krokodillen en weally big fishes en konijnen en al ziet stoppen nooit, en hij brabbelt opnieuw dat hij vissen vangt enz. Langzaamaan begint hij Uno iets minder anarchistisch te spelen, en hij wil nog steeds dat ik hem rondzwier en draag en ondersteboven houd. Onvermoeibaar is hij, en ik begrijp heel goed waarom Onno op termijn wat kribbig begint te lopen van zo'n brabbelkind. Maar voorlopig raak ik hem niet beu want hij is echt wel grappig.

dinsdag 16 februari 2010

WWOOFing, pt. 2

Ik neem de bus richting Penguin, een klein stadje aan de noordkust, waar soms dwergpinguins komen overwinteren. Bij het 3 meter hoge standbeeld van een pinguin (erg origineel is men hier blijkbaar niet) ontmoet ik Jennifer uit Hamburg, die ook die dag begint met WWOOFen. Samen rijden we in haar auto naar de boerderij, nog een vijftiental kilometer verder. Onderweg babbelen we veel over waarom we naar Australie gekomen zijn en hier in de natuur gaan werken. Zij heeft vier jaar in human resources gewerkt en was haar job kotsbeu, en besloot er een jaar op uit te trekken. Haar Engels is goed, met een licht Helga-accent, en we foeteren samen wat op de gsm- en internetverbindingen die Tasmanie arm is.

We komen toe op de boerderij tijdens de namiddagpauze, en ontmoeten meteen Steffen en Kassie, een Berlijns koppel met een veel zwaarder accent dan Jennifer, en Kees de gigantische Zeeuwse eindedertiger. Even later komen Nikki, een klein en al even Zeeuws tettergat, Brent, een local die op een vergane schandknaap lijkt, en Cory, een geblokte student management met flaporen die tijdens de zomervakantie zijn college fee en uitgaansgeld bijeenverdient, ons vergezellen. Na de pauze gaan zij verder met wat ze ook doen, en worden wij voor een uurtje ingeschakeld in het laatste stadium van de gladiolenverpakking.

In het huis maken we kennis met Robin, een kleine vrouw in de dertig uit groot-Melbourne, en haar vader Bob. Robin en Kees hebben elkaar een jaar of zeven geleden ontmoet op een rondreis door Zuid-Amerika, en zijn ongeveer vijf jaar geleden getrouwd. De foto's van toen tonen hem veel gezetter - nu zijn zijn wangen strak over zijn jukbeenderen gespannen. Kleine Alex is drie, en heeft wat issues met prioriteiten wat betreft kledij. Als je hem ziet rondlopen in huis, heb je ruwweg 50% kans dat je zijn blote bebipoep gaat zien - maar hij heeft wel altijd een t-shirtje aan. Hun tweede kind, Sam, is in de voorbije lente, kort voor zijn eerste verjaardag, gestorven in een ongeluk bij het paardrijden.

We werken elke dag (weekends bestaan hier niet) van half acht 's ochtends tot de middag op de velden. We plukken gladiolen die bestemd zijn voor de Valentijnsmarkten in Melbourne. Na het plukken, dat 3 tot 4 uur duurt, beginnen we met ze verwerken. De wortels worden afgezaagd, de laagste bladeren worden eraf gestript, en dan worden ze per tien samengebonden met elastieken. Dat duurt een uur of 2-3, en meestal stoppen Jennifer en ik ergens halfweg dat proces. De derde fase is ze inpakken per honderd, om ze dan zo in de koelkast te steken tot ze getransporteerd worden.

Na de middag moeten wij niet meer werken, en dus hebben we tijd voor andere zaken. Op zondag neemt Robin ons en Alex mee naar een paar mooie plaatsen in de omgeving van Oldina. Een leuke waterval wordt ontsierd doordat het water bruin is door basaltroest, maar op de foto's die Jennifer neemt lijkt het helder. Even later komen we bij "the big tree", een vierhonderd jaar oude eucalyptusboom met een omtrek van 16 meter. Mijn laconieke opmerking "wow, that's a big tree" bezorgt Jennifer een kleine lachstuip. Een ietwat jongere broer van de eucalyptusboom in de buurt doet me denken aan het dorp van de aliens in Avatar, en zo komen we op de weg naar de derde attractie terecht in een discussie over scifi en literatuur in het algemeen.

The Nut is een vulkanische plateaurots op een schiereiland bij het dorpje Stanley. Ik ben niet onder de indruk wanneer ik erover lees in mijn toeristische gids, de Lonely Planet, omdat veel zaken daarin zo overdrijvend beschreven worden dat men teleurgesteld raakt bij het zien van iets dat op zich wel bijzonder is. Mijn mening verandert echter wanneer we daar toekomen: The Nut is een bijna platte schijf met een straal van ruwweg 100m, die zich 150m boven zeeniveau verheft. Elk uitkijkpunt geeft een spectaculair zicht over een deel van het noorden van het eiland, met haar stranden en rotsformaties en idyllische dorpjes. De wanden gaan bijna recht naar beneden, en het pad naar de top is bijzonder steil, en zwaar voor de dijspieren. Robin en Alex blijven beneden en eten ijsjes terwijl Jennifer en ik de boomloze rots verkennen.

Op de terugweg naar de boerderij zit ik achterin, en doe ik wat onnozel met Alex. Hij zegt dat hij een tijger is, en later begint hij te spreken over krokodillen, maar hij spreekt het ongeveer uit als "fuckodile". Met zijn armen doet hij de muil van de fuckodile na, en hij "bijt" in mijn arm. Ik zeg dat hij dan een crocodile is. Als hij niet weet hoe te antwoorden op iets, zegt hij altijd heel braafjes "yes" op de toon van een Britse lord, en dat doet hij nu ook. Zijn papa moet dan ook een krokodil zijn, zeg ik, een heel grote. Daarop zegt hij "no daddy is not a fuckodile" en ik giechel. Later leer ik hem "nooooooo" zeggen zoals Weebl van Weebl and Bob, en hij vindt dat heel grappig.

Maandagnamiddag moet Robin naar Burnie voor een conventie - ze is bezig aan een PhD in de sociologie - en Jennifer en ik gaan mee naar de stad. We zetten ons in de McDonalds voor een uurtje, om terug een beetje mee te zijn met wat het internet ons brengen wil, en daarna brengen we een leuke namiddag door op het strand. We wandelen wat rond, we zwemmen, en leggen ons te drogen in de zon, want ik ben vergeten mijn handdoek mee te brengen.

Daarna gaan we terug naar de McDonalds, omdat Robin ons daar zal komen ophalen. Ik koop onderweg een aantal kaartjes en wat postzegels. Voor die dag heb ik in mijn leven waarschijnlijk niet meer dan 10 kaartjes geschreven, en ik heb eerst geen idee wat ik erop moet zetten. Dan komen er een paar ideetjes op, en ik schrijf de meest onnozele dingen op - sorry aan degenen die diepzinnigheden en/of leuke nieuwtjes verwachtten ! Er gaan in totaal 13 exemplaren naar de Amber, en nog een paar naar mensen die daar niet zo vaak komen. Nadat ik ze op de post gedaan heb, besef ik dat ik vergeten ben om Airmailstickertjes te vragen, en volgens Kees kan het zijn dat ikzelf nog eerder in de Amber terechtkom dan de kaartjes :-(

Tegen dinsdag heb ik een mooie collectie blaren op mijn handen, allemaal opgelopen bij het plukken van dauwnatte bloemen. Dat is het zwaarste werk, want je hoort de geplukte planten onder je arm te houden tot je ze nog amper kan dragen. Omdat het een lange werkdag zal zijn voor de anderen - het plukken heeft langer geduurd dan anders - besluiten Jennifer en ik ook in de namiddag te werken: zij tegen betaling, ik om de woensdag vrij te hebben zodat mijn blaren wat kunnen genezen. Het laatste stadium is heel wat zwaarder dan de dag dat we hier toekwamen, omdat we er tegen dan al 7u arbeid op zitten hebben. Yours truly ziet ietwat af want ik ben geen fysiek werk gewend, maar ik ga er niet om wenen en werk stug door. Nikki zegt dat ik goed werk, en dat dat haar verbaast want de meeste WWOOFers pakken alles nogal chill aan. Ik ben ook verbaasd, want op mijn vakantiejobs in de industrie in Belgie werd ik meestal wat uitgefoeterd omdat ik traag werkte.

Op woensdag doe ik een hele dag helemaal niks constructiefs, behalve het afwerken van een korte creatieve tekst. Het valt me in dat ik die misschien kan insturen voor de schrijfwedstrijd van Departuur, als de tekst half-en-half in het thema past. Dat er wat logistiek geharrewar van zal komen om een papieren versie in te dienen, neem ik erbij. 's Namiddags beslist Jennifer om de dag erna al te vertrekken, zodat ze langs Wineglass Bay kan passeren alvorens haar volgende WWOOFing in Hobart te beginnen.

Op dinsdagavond zijn Brent en Steffen in de bush in de omgeving gaan jagen, en ze hebben een kleine wallaby geschoten. We worden allemaal uitgenodigd om het beest op donderdagavond te komen opeten in het huis waar Nikki, Steffen en Kassie tijdelijk wonen. Het intussen gevilde dier ziet eruit als een groot uitgevallen stoofkonijn, en wordt in de oven gestoken. We barbecuen ook wat steaks en worsten, want de wallaby zal waarschijnlijk niet genoeg zijn voor ons zessen. Een uur later halen we het beest uit de oven, en het blijkt dat het nog steeds niet volledig doorbakken is. We hebben al genoeg gewacht en beginnen er toch aan, grappend dat Kees misschien morgen geen werkvolk zal hebben. Het vlees van de wallaby is bijzonder zacht en lekker, maar raakt niet volledig op omdat het moeilijk loskomt van de botten. Na het eten begint Steffen wat te tokkelen op een akoestische gitaar terwijl we allemaal wat loze verhaaltjes vertellen en pinten drinken. Rond 10u gaat iedereen weg, want we moeten - behoudens voedselvergiftiging - de dag erna weer om 6u op. Cory voert me naar huis en we babbelen wat over universiteiten en gekke mensen daar.

Het spectaculairste dat gebeurt op vrijdag is een middagdutje. Ik lees daarna ongeveer 150 pagina's in Crime and Punishment, en raak moeilijk in slaap. Op zaterdag hebben we een andere taak, namelijk het ontwortelen van tulpenbollen. Mijn handen, al overdekt met de littekens van een week nattestengelsplukken, zien af op de enige plaats die ietwat gespaard gebleven was: tegen de middag zijn mijn duimen allebei een volledige laag dode huid kwijt. Wanneer ik terugkom, blijkt dat er twee nieuwe Japanse WWOOFers toegekomen zijn. Hun Engels is zoals altijd hirarisch en hun basisrespons op alle opmerkingen is "ooooo". Ik heb intussen contact opgenomen met Prue en Onno, en zij komen me de dag erna ophalen in Ulverstone. Robin moet daar sowieso passeren omdat ze naar Devonport moet, en ze voert me naar de McDonalds daar, zodat ik kan WiFien.

vrijdag 12 februari 2010

WWOOFing, pt. 1

Het was al van tevoren mijn plan om na de road trip rond Tasmanie daar een tijdje te blijven, en zo goedkoop mogelijk te leven. Daarom heb ik me vooraleer ik vertrok uit Sydney ingeschreven bij WWOOF, ofte Willing Work On Organic Farms, een organisatie die zich richt op backpackers en andere light travellers. De bedoeling is dat een persoon vrijwillig en gratis een paar uur per dag op een boerderij gaat werken, in ruil voor kost en inwoon. De taken zijn zo gevarieerd als de soorten boerderijen, en er kan ook verwacht worden dat de WWOOFer kuist, kookt, afwast en/of wat op de kinderen let.

Ik voerde een redelijk rigoureuze selectieprocedure door in het boekje met de kandidaat-families. Enkele bizarre verzoeken als "VERY gay/lesbian/bi-friendly" en "must prefer Abbey Road to Sgt. Peppers" werden direct van de hand gewezen for the benefit or Mr. Kite. Ook families die geen elektriciteit gebruiken, of verwachten dat ik een week in m'n tentje in de tuin ga wonen, leken me ongeschikt. Ik zie mezelf niet bepaald met grote dieren werken, en dus werden de paarden-, koeien- en varkensboerderijen ook geschrapt. Aangezien ik nog steeds heel wat families overhield, kon ik ook de vegetariers en andere hippies uit de lijst weglaten.

Uiteindelijk bleven er voor heel Tasmanie nog een dertigtal boerderijen over. Ik koos er vijf uit in het noordwesten van het eiland, en stuurde hen op woensdag 3 februari een gepersonaliseerde e-mail, waarin ik wat vertelde over wie ik ben en waarom ik hun farm wel nice vond. Een halve dag later had ik al twee antwoorden: Prue en Onno Holling uit Ulverstone "German speaking (2nd language)" konden mij verwelkomen vanaf de 13e, en naar de bloemenboerderij van Robin en Kees Krabbe - moet wel een Hollander zijn - kon ik zo goed als meteen komen. Ik had echter drie nachten in mijn dodgy hostel te Devonport geboekt, en meestal is dat soort dingen non-refundable, dus kon ik pas de 6e daarheen gaan.

Road trip - Tasmanie

Die donderdagavond heb ik in de Metro YHA, voor ik op zoek ging naar een bed, ook nog Florence en Marion ontmoet, twee evenzeer Waalse meisjes die ook zouden meegaan op de road trip. Veel kwam ik nog niet over hen te weten, ik was iets te veel bezig met me zorgen maken waar ik ga slapen. We hebben daar toen afgesproken om om 7u een taxi te nemen naar de haven, om op tijd te zijn voor onze ferry.

Ik kom vijf minuten voor tijd aan bij de YHA, en ik besef daar dat ik vergeten ben mijn ticket af te printen. Ik had gepland om dat de avond tevoren in het hostel te doen, maar Bozo's had geen printer. Ik haast me naar binnen en spendeer een dollar aan 2min internet en een dollar aan 2 blaadjes afprinten. Buiten moeten we 5min wachten op de taxi, die we extra groot besteld hebben aangezien we met 5 zijn en zwaar geladen. Ik laat weten aan de meisjes dat Justine door is naar de finale van de Australian Open, want dat heb ik vlug opgezocht terwijl ik wachtte op de printer, and there was much rejoicing.

De taxichauffeur is zwart en luistert naar a capella gezang in een bizar mooi klinkende taal. In de auto kom ik te weten dat de dames elkaar allemaal kennen van de scouts, en dat Florence en Marion maar een maand in het land blijven. Ik vertel kort wat mijn reiservaringen tot nu toe, en maak duidelijk dat ik er een sport van maak allemaal random dingen te doen met zo weinig mogelijk, en vaak (soyons honnetes) te weinig voorbereiding. Ik heb nog geen tent of slaapzak - we gaan kamperen - en heb geen idee wat er allemaal te zien valt in Tasmanie. Marion kijkt wat bedenkelijk, maar de andere drie lachen eens en zeggen dat we er wel iets op vinden.

Laurence is de knapste van de vier; ze is de enige met een lief en lijkt benauwend goed op mijn knettere ex Vicky. Ze is relatief serieus, en (in tegenstelling tot laatstgenoemde) zachtaardig en zorgzaam. Ze is de stilste van de vier.
Net iets babbeliger, en maar net iets minder aantrekkelijk, is Florence, een opgewekte springintveld die om alles met haar ogen rolt en altijd wel een reden vindt om te glimlachen. Net als ik zegt ze overdag niet veel, en komt ze 's avonds wat meer tot leven. Chloe is een klein blond tettergat, de gangmaker en de meest sarcasitsche van de hoop. Ze is niet vaak degene die de stilte breekt, maar onderhoudt de conversaties meestal. Marion is 27 - de anderen 23 - en het is moeilijk haar rol in te schatten. Soms lijkt ze wat een buitenstaander, en soms plaagt men haar wat, maar voor het grootste deel van de tijd lijkt het evident dat ze op haar eigen manier gerespecteerd wordt. Ze is de grootste flapuit van de vier en zegt het vaakst domme dingen, hoewel ze gediplomeerd en praktiserend juriste is.

Allen kennen ze elkaar dus van bij de scouts, /le 'skut/, en Florence en Chloe hebben ook samen communicatiewetenschappen gestudeerd. Hun Nederlands is comme il faut schabouwelijk, en ze vinden het passief jammer dat het taalonderwijs in Wallonie zo bedroevend is. Ik spreek Frans met hen, natuurlijk, en soms wat Engels als een constructie in 't Frans te halsbrekend dreigt te worden.

Op de ferry blijkt dat ik in mijn haast drie dagen tevoren het verkeerde soort ticket geboekt heb, namelijk een privecabine van 155$. Een gewoon dagticket waarbij je op het dek moet blijven kost 65$. Ik profiteer ervan en neem 2 douches en slaap 4u, maar dat is natuurlijk nooit zijn 90$ waard. De wijvekens hebben een auto gehuurd in Devonport (TAS), een ruime jeep waar ik ook in pas. De eerste nacht heb ik nog geen tent of slaapzak, en ik sluit eeuwige vriendschap met een Duitse met een snor maar zonder naam voor een plaatsje in haar tent. Aan de receptie vraag ik een deken, die me bijzonder goed warm houdt.

De dag erop, na het tartines-au-Nutella-ontbijt dat een dagelijkse routine zal gaan worden, gaan we naar K-Mart voor mijn kampeergerei en naar Coles voor voedsel. Daarna vertrekken we naar Wineglass Bay over de tweede grootste snelweg van het eiland, die nergens meer dan een rijvak per rijrichting telt. Ruwweg de helft van de tijd slingeren we aan 30 per uur door haarspeldbochten, en al even vaak vergist Marion, designated driver, zich tussen de richtingaanwijzers en de ruitenwissers.

Onderweg komen we ontstellend vaak roadkill tegen, en soms moeten we slalommen om geen hoopjes dood vlees te pletten met onze zware wielen. Marion maakt een paar keer een fout omdat ze niet gewend is met het stuur rechts te rijden, en over de dagen komen we een drietal misselijkmakende bulten tegen. Die incidenten zijn nogal traumatiserend, maar de dieren die we overreden waren al dood of stervend, dus de horror bevindt zich vooral in onze hoofden. En op de bumpers van de auto's die vooral 's nachts de dieren overrijden natuurlijk.

Na een betrekkelijk zware rit, met een paar pauzes aan de hallucinante Bay of Fires, komen we aan bij Coles Bay, en daar slapen we op een camping. Het eerste dat we 's ochtends doen is de enorm mooie wandeling naar Wineglass Bay, met een fantastische lookout point halfweg. Op het strand zelf is het guur weer, maar we zijn er niet om zon te vangen. Ik denk veel en zeg weinig, zoals steeds overdag, en stap hard door op mijn langzaam stervende schoenen. Daarna gaan we op weg naar Port Arthur, via een grindweg die onze auto stofgrijsbruin maakt. 's Avonds maak ik de worsten klaar op de barbecueplaat in de nieuwe camping, en we eten onze beste maaltijd van de trip. Wanneer we naar de tenten wandelen, zien we een paar wallabies rondspringen op het terrein.

Port Arthur is een van de plaatsen waar Australie en Tasmanie in het begin van hun Westerse geschiedenis bekend voor stonden: het is een gevangeniskolonie. Het stadje is bijzonder goed bewaard, met blijkbaar slechts sporadisch restauraties. Weinigen verlieten de plaats in de 19e eeuw, en van hen keerden de meesten nog terug ook. Een bizarre plaats met een hoop lugubere en fascinerende feiten achter zich. Een paar uur later passeren we langs Hobart, en dat is de eerste plaats sinds Devonport waar ik gsmbereik heb. Hoewel het in Belgie 4u 's ochtends is, stuur ik toch een paar sms'en met basisinformatie rond. Sorry daarvoor, Katrien en Tien en ma !

Daarna volgen twee dagen bezoeken aan nationale parken in het noordwesten van het eiland: Lake St Clair en Cradle Mountain. Beide dagen doen we een wandeling van ruwweg 2u, om daarna weer de auto in te springen naar de volgende stop. Op maandag passeren we heel dicht bij de brandhaarden van bushfires, zo dicht dat we zon niet meer zien vanwege de rook, en de lucht achter de bergachtige horizonten is oranje. Er volgen enkele momenten van lichte paniek, maar we worden uiteindelijk gerustgesteld door een brandweerpatrouille langs de weg. De kerels zijn bijzonder relaxed en zeggen dat de weg naar Queenstown veilig is.

Op dinsdag komen we ook voorbij de bushfires maar dan lijkt het gevaar minder acuut, en we zijn amper bezorgd. De lucht wordt niet helemaal grijs, we zien de zon nog (maar ze is bloedrood) en we komen geen patrouilles tegen. 's Nachts gaan we op zoek naar wombats, en we spenderen een uur onder een heldere hemel. We zien, door de hulp van een Slavisch Engels sprekende man en zijn familie, zo'n dik log mininijlpaard lopen door de bush, op 2 meter van ons. Hij negeert ons, ondanks Marions gekir en de tientallen fotoflashes en het constante zaklamplicht dat op hem gericht wordt.

Wanneer we terugkomen, slenter ik naar het toilet. Op de terugweg schiet er plots iets hondachtigs heel snel m'n voeten voorbij. De meeste kleine dieren in Tasmanie zijn relatief traag, en mijn vermoeden wordt bevestigd door Laurence: zij heeft een Tasmanian devil gezien, maar had haar camera niet bij.

De dag nadien komen we terug naar Devonport. Ik zoek me een hostel, en ga de dames uitzwaaien op de ferry. Zij gaan nog een week samen rondtrekken vanuit Melbourne naar Adelaide toe, en daarna gaan Marion en Florence via Sydney terug naar huis. Laurence en Chloe blijven nog tot juni of zo. Ik heb geen idee hoe lang ik nog in Tasmanie ga blijven, dat maakt nu ook niet uit, en ga naar de McDonalds om voor de eerste keer in 5 dagen internetverbinding te hebben.

donderdag 4 februari 2010

End of an era, pt. 3

Op woensdagochtend sta ik op om 5u, en ik neem een halfuur later een taxi op Broadway om zo snel mogelijk aan het verkooppunt te zijn. Ik kom toe om 5u45 ben de 16e in de rij. Elke persoon mag maximun 2 tickets kopen, en er zijn die dag een twaalftal shows op til. Ik ben zowat gegarandeerd van m'n ticket - het is werkelijk ondenkbaar dat er minder dan 30 tickets beschikbaar zouden zijn voor Laura Marling - en kan ontspannen verderlezen in Crime and Punishment. Ik ben slechts een halve pagina ver in deel 3 als een vijftiger me aanspreekt. Aangezien ik lees, Dostojevski dan nog, moet ik wel al Ruhe gezien hebben, redeneert hij. Ik zie de link tussen die twee niet, maar bizar genoeg heeft hij gelijk. Ik vertel hem wat en we dwalen af richting rundveegesprekken. Er volgen nog heel wat gesprekjes, de helft ervan nerveuze vragen van nieuwtoegekomenen over wat we willen zien, en of zij nog een ticket zouden kunnen krijgen voor hun plat prefere.

Rond kwart over zeven komt de oudere dame van maandag toe, en ze vraagt me een ticket te kopen voor Marcin Wasilewski Trio. Ik kijk eens raar, maar het blijkt om een Poolse naamgenoot/muzikant te gaan wiens beide benen nog heel zijn. Ik beloof het ticket te kopen, voor haar dochter, en zij gaat op haar plaats in de rij staan, in de hoop er nog 2 extra te kunnen bemachtigen voor haar en haar man. Anders zal kindlief alleen moeten gaan.

's Avonds is er dan eindelijk de show waar ik al op wachtte sinds november, en madame stelt niet teleur. Een hoop nieuwe songs, een paar oude, en tussendoor bizarre, korte verhaaltjes die haar zo schijnbaar bereikbaar maken. De verhaaltjes zijn duidelijk volledig onvoorbereid en ze valt soms over haar woorden, haar stem trilt ietwat, ze raakt haar draad kwijt, etc. De criticus vindt het amateuristisch, ik noem het de aandoenlijkheid van de oprechte spontaniteit. Meer smitten dan ooit lach ik om haar haarkleuravontuur en haar gitaarstemperikelen, en word ik stil als ze 't eventjes heeft over haar vader. Na de show ga ik nog eens naar the Local, toch mijn favoriete stek in Sydney, en ontdek daar de godendrank Southern Comfort. Ongelooflijk lekker, en wie weet helpt ze me er ooit zo'n fantastische whiskystem te krijgen als de goddelijke Janis Joplin. Dat is makkelijker dan leren zingen, concludeer ik.

Donderdagochtend ben ik ruim op tijd wakker om me nergens voor te moeten haasten, en ik zet me om 7u in de ontbijttaverne. De keuken heeft er blijkbaar weinig zin in, en ik krijg mijn ontbijt om 7u25. Plots gehaast schrok ik m'n bacon and eggs on toast (zeer mjammie, en dat voor maar 8$ !) binnen, en ik ga in looppas naar het station. De klok toont 7u42m08s als ik op het perron toekom, en voor mijn neus zet de trein zich in gang. Een achtergebleven bediende raadt me aan te proberen een refund te krijgen, al is m'n ticket unrefundable.

Ik ga op missie (al is mijn eerste zorg in Melbourne geraken voor de boot vertrekt) en beslis dat zielig-gelaten doen tegen de loketbediende best zal werken. Dat blijkt geen probleem, want het is exact hoe ik me voel. Ik heb geluk dat de verantwoordelijke een zachtaardige, gezette, kleine vrouw in de veertig is. Mijn verhaal en feromonen werken (ik heb wat afgezweet in looppas met 30 kilo bagage), en een paar telefoontjes later glundert ze dat alles in orde is. Ze helpt me ook een stoel te reserveren in een bus die om 9u10 vertrekt, en die me op 13u tijd in Melbourne brengen kan. Die reis net iets goedkoper is dan de trein, dus ik boet er alleen wat comfort bij in.

Rond 4u in de namiddag besef ik plots dat ik geen bed heb in Melbourne. Ik sms naar Chloe of ze kan informeren in de Metro YHA, maar die is volzet, net als alle andere YHA's trouwens. Ik bel naar Brett de jetsetter en die maakt na drie minuten warrigheid duidelijk dat hij alles zal doen, maar niets kan beloven. Ik weet uit ervaring dat hij eigenlijk bedoelt dat hij me niet zal kunnen (of willen ?) helpen. In de grootstad dwaal ik naar North Melbourne, de suburb die ik best ken, en ik spreek kort af met Chloe en Laurence dat we de dag erna een taxi nemen van aan de YHA naar de haven. Het is bijna 11u 's avonds en het is tijd voor de wanhoopsplannen. Ik vraag een paar mensen op straat of ze een bed, een zetel of desnoods wat vloer voor me overhebben, maar men weigert. Ik stap de drempel van een openstaande voordeur op, en ook daar werkt mijn mercy call niet. De man wijst mij er wel op dat er twee straten verder een vuil hostel is, genaamd Bozo's Backpackers, waar vaak wel nog plaatsen zijn. Ik besluit dat ik, als dat niet werkt, kan gaan smeken in de Prudence Bar waar ooit mooie Zoey vertoefde.

Het enige vuile aan Bozo's Backpackers is een zestiger met een vieze stoppelbaard en een wifebeater. De man, Bozo zelve, verhuurt me zijn laatste kamer voor een kortingprijs alvorens zelf te gaan slapen. Ik kijk een beetje naar een spektakeltennismatch met Patrick Rafter, die saai wordt na ruwweg 10 minuten, en besef dat de stad zo vol zit wegens de Australian Open. Ik verneem ook dat Justine Henin door is naar de finale na een match die ze zo makkelijk won als Clijsters haar vierde ronde verloren heeft, en ga een Three Ravens drinken in Prudence Bar. Twelve Ravens en weer een aantal leuke gesprekken later kom ik weer bij Bozo's, en ga ik slapen.

End of an era, pt. 2

Op dinsdag leg ik mijn boottrip vast, en ook de trein om naar Melbourne te raken op donderdag. Daarnaast ook een woensdagnacht in Wake Up, om dicht bij Central Station te zijn, want mijn trein vertrekt om 7u42. Ik ben gehaast want ik moet nog naar het postkantoor geraken voor het sluit. 's Avonds maak ik een assessment van mijn pokerverdiensten. Ik heb niet vaak meer gespeeld, want eens de spanning van "omg ik speel voor 100$" weg is, is het casino eigenlijk doodsaai. Ruwweg 20 hands per uur, soms minder, afschuwelijk slecht spel en geen ruimte om subtiel en creatief te zijn. Je begint ook met slechts 50 big blinds, waardoor je de facto fit-or-fold moet spelen tot je verdubbelt. En het ergste van al zijn de zagende gokverslaafde oudere mensen die niet begrijpen waarom ze verliezen. Het antwoord is dat ze rotslechte spelers zijn, maar niemand gaat hen dat vertellen natuurlijk.

Het enige leuke dat ik na mijn vorige pokerpost nog meegemaakt heb in live poker is een sessie PL Omaha 1/2, waarbij gemiddeld 5 mensen preflop all in gingen en de dealer steeds 5min moest tellen en hertellen of de sidepots juist gemaakt werden, en hoeveel de pot-limited reraises mochten zijn. Telkens iedereen all in was voor de flop, draaiden we een kaart om per street: een preflop, een op de flop, enz. Dat gaf heel grappige en spannende discussies, onder andere doordat sommige mensen vergeten waren welke hand ze hadden enz.

Op een bepaald moment, we zijn met 4 all in, flop ik met mijn KJQTss top 2 pair en een OESD. Helaas improve ik niet, en turnt een van de tegenstanders een setje op de turn. Ik had 1 dollar meer dan hem preflop, en nog iemand anders heeft ook KJxx, waaruit volgt dat ik de sidepot van 2 dollar split met die laatste persoon. Ik heb dus nog 1$ over - geen rebuys meer - en hilarisch genoeg win ik de sidepot in de volgende hand voor 5$. De hand daarna win ik opnieuw mijn sidepot, voor 20$. Ik fold een rondje, en doe in een all-or-nothing-move een potreraise all in met wat men "naked queens" noemt, QQ63os, eigenlijk een schijthand. De sympathieke kerel aan mijn rechterkant reraiset mij om me te beschermen, maar de "twee jokers" aan de tafel, twee jonge Aziaten die bijna elke hand preflop arr in gaan, komen over the top en we zijn met 6 all in. Mijn beschermer heeft AAK3ss, de Aziaten zoals gewoonlijk junk - maar een ervan heeft een van mijn queens. Ik ben zo goed als dood en verlies de hand dan ook, en vertrek. In die sessie ben ik 285$ verloren, wat weinig verwonderlijk is aangezien een 5 way all in bij Omaha enkel en alleen draait om geluk. Maar 't was geestig.

In de 5 sessies daarna win ik bijna elke keer een gezonde som, maar elke keer heb ik ook minder zin om naar het casino te gaan. Het is meestal mooi weer buiten, en de gewoontes van het casino steken me meer en meer tegen. De laatste twee keer zet ik me alleen nog aan tafel om te babbelen met de dealers, meestal hilarische personages, en om wat te flirten met een aantrekkelijke cocktailwaitress. In mijn voorlaatste sessie vertelt de dealer me dat de lieftallige jongedame een lief heeft, en in mijn laatste sessie ga ik op major tilt. Ik shove 100 big blinds deep met top pair top kicker tegen een gemaakte straight, en besef dat ik de voeling kwijt ben. Ik beslis te stoppen met casinopoker, en denk er niet meer over na. Op dinsdag 26 januari tel ik eindelijk mijn winst, want ik heb na de vorige pokerpost nooit meer mijn rekening gemaakt. Alles samen kom ik op +1615$ uit, iets meer dan mijn huishuur voor 9 weken. Ik high-five mezelf, en ga een pint drinken in het cafe op de hoek.

End of an era, pt. 1

Op 10 januari laat ik weten aan huisbazin Julie dat ik wil vertrekken op 31 januari, de dag dat mijn standaardhuurcontract aflopen zou. Verlenging is mogelijk, maar ik vind dat ik al lang genoeg in Sydney gebleven ben. Tijdens de week van de 18e krijg ik echter al zwaar de kriebels om te bewegen, want op een week in november, en kerst na, ben ik drie maanden lang in en rond Sydney gebleven. Ik beslis om te vertrekken zo kort mogelijk na het optreden van Laura Marling de 25e, waarvoor ik een ticket heb.

Ik leg contact met Chloe en Laurence, twee aangename Waalse meisjes die ik leren kennen heb op oudejaarsavond, en waarvan ik weet dat ze eind januari naar Tasmanie denken te gaan. Zij blijken de ferry, de Spirit of Tasmania, te gaan nemen in Melbourne op vrijdagochtend de 29e januari, om 9u. Als ik met hen mee wil, moet ik dus op donderdagavond in Melbourne zijn, en liefst wat eerder eigenlijk. Ik laat weten aan Julie dat ik de 26e of zo kort mogelijk daarna het appartement zal vrijmaken. Na wat geharrewar over terug te krijgen huur en waarborg raken we akkoord, en maak ik me klaar om in blitz te kunnen vertrekken.

De 24e is er een One Day International cricketmatch tussen Australie en Pakistan in de Sydney Cricket Ground, en ik beslis die bij te wonen om eens te zien waar zo veel mensen hier zo wild van lopen. Mijn stoeltje kost 80$ en is zijn geld blijkbaar waard, want de wedstrijd duurt zeven uur. Helaas wordt het nooit echt spannend, want tijdens het batten van Australie bouwt dit team een voorsprong uit die het verzwakte Pakistaanse team nooit zal kunnen overbruggen. Van half zes tot half tien verveel ik me dan ook nogal, hoewel ik volgens de regels van de toeschouwerskunst veel applaudisseer en me schijtezat zuip (werkelijk, dat hoort zo !). Tegen 7u verveelt iedereen zich blijkbaar - het is tegen dan overduidelijk dat Pakistan het niet aankan - en men begint lege bierbekers te verzamelen en te stapelen. Een tiental keren weerklinkt applaus en gejoel voor een ketting bekers van een meter of 3-4 lang ergens in de tribune. Applaudisseren voor de match gebeurt bijna niet meer. Een heel aantal zatte mensen wordt buitengesmeten, maar dat kan hen weinig schelen want ze hebben toch al 5u entertainment gehad. Op weg naar huis loop ik bijna verloren, en ik heb slechts een vaag idee van waar ik ergens ben. Eens thuisgekomen na een zwerftocht van een uur val ik in slaap voor ik het deken over me heen kan trekken.

Gelukkig heb ik mijn wekker gezet voor ik dronken werd, en ik ben op de 25e op tijd wakker om mijn via internet betaalde ticket voor Laura Marling op te halen in het stadscentrum. Helaas heb ik iets verkeerd gedaan en iets verkeerd gelezen, want mijn ticket is nooit betaald, en het "ophalen" is blijkbaar alleen voor last-minute tickets die men gewoon ter plaatse koopt. Dat alles komt helaas pas aan het licht na een wandeling van 45 minuten, tijdens de luchtige gesprekken die ik voer met andere wachtenden in de ochtendfriste - die wonderen doet tegen mijn dreigende kater. Tegen dat het mijn beurt is, is Laura Marling allang uitverkocht voor die dag. Gelukkig speelt my Darling ook nog op woensdag en donderdag, en heb ik nog geen vervoerstickets naar Melbourne besteld. Ik vraag en passant aan een van de laatsten die een ticket voor haar konden bemachtigen hoe laat hij toegekomen is, en hij antwoordt 6u15.

Intussen sta ik dan in die rij, en ik ga in het programma op zoek naar een back-upplan. De vriendelijke Brits-Canadese dame die voor me staat te wachten raadt een Voltairebewerking genaamd "Optimism" af, en zegt dat ik voor iets rustigs en/of onpopulairs zal moeten gaan omdat we te laat toegekomen zijn. "Ruhe" wordt uiteindelijk mijn keuze: het is een samenwerking tussen - werkelijk, u raadt het nooit - Josse De Pauw en het Collegium Vocale Gent. Ze staan met een tienatl voorstellingen op het festival, en het is voor hen dat ik een maandagavondticket koop. Het evenement vindt plaats in de Great Hall van de University of Sydney, toevallig bijzonder dicht bij mijn woonst en een van de plaatsen waar ik de vorige avond langs gedoold ben.

Wijl het Collegium in het Duits liederen van Schubert zingt, brengen twee acteurs in Engels met een - disons - sappig accent diepmenselijke monologen van individuen die fout waren in de tweede wereldoorlog. De sereniteit van het schouwspel en de sfeervolheid van de imitatiemiddeleeuwse setting maken een diepe indruk op me, en ik besef dat de meerderheid van de collaborateurs ook maar wat deden, en vaak heel oppervlakkige redenen hadden voor de beslissingen waarvoor ze vaak een leven lang verguisd zijn. Dat hun positie pas volledig de foute werd toen de oorlog in haar beslissende fase kwam.

Diep geraakt slenter ik naar
Mijn voorlaatste nacht in Glebe