dinsdag 16 februari 2010

WWOOFing, pt. 2

Ik neem de bus richting Penguin, een klein stadje aan de noordkust, waar soms dwergpinguins komen overwinteren. Bij het 3 meter hoge standbeeld van een pinguin (erg origineel is men hier blijkbaar niet) ontmoet ik Jennifer uit Hamburg, die ook die dag begint met WWOOFen. Samen rijden we in haar auto naar de boerderij, nog een vijftiental kilometer verder. Onderweg babbelen we veel over waarom we naar Australie gekomen zijn en hier in de natuur gaan werken. Zij heeft vier jaar in human resources gewerkt en was haar job kotsbeu, en besloot er een jaar op uit te trekken. Haar Engels is goed, met een licht Helga-accent, en we foeteren samen wat op de gsm- en internetverbindingen die Tasmanie arm is.

We komen toe op de boerderij tijdens de namiddagpauze, en ontmoeten meteen Steffen en Kassie, een Berlijns koppel met een veel zwaarder accent dan Jennifer, en Kees de gigantische Zeeuwse eindedertiger. Even later komen Nikki, een klein en al even Zeeuws tettergat, Brent, een local die op een vergane schandknaap lijkt, en Cory, een geblokte student management met flaporen die tijdens de zomervakantie zijn college fee en uitgaansgeld bijeenverdient, ons vergezellen. Na de pauze gaan zij verder met wat ze ook doen, en worden wij voor een uurtje ingeschakeld in het laatste stadium van de gladiolenverpakking.

In het huis maken we kennis met Robin, een kleine vrouw in de dertig uit groot-Melbourne, en haar vader Bob. Robin en Kees hebben elkaar een jaar of zeven geleden ontmoet op een rondreis door Zuid-Amerika, en zijn ongeveer vijf jaar geleden getrouwd. De foto's van toen tonen hem veel gezetter - nu zijn zijn wangen strak over zijn jukbeenderen gespannen. Kleine Alex is drie, en heeft wat issues met prioriteiten wat betreft kledij. Als je hem ziet rondlopen in huis, heb je ruwweg 50% kans dat je zijn blote bebipoep gaat zien - maar hij heeft wel altijd een t-shirtje aan. Hun tweede kind, Sam, is in de voorbije lente, kort voor zijn eerste verjaardag, gestorven in een ongeluk bij het paardrijden.

We werken elke dag (weekends bestaan hier niet) van half acht 's ochtends tot de middag op de velden. We plukken gladiolen die bestemd zijn voor de Valentijnsmarkten in Melbourne. Na het plukken, dat 3 tot 4 uur duurt, beginnen we met ze verwerken. De wortels worden afgezaagd, de laagste bladeren worden eraf gestript, en dan worden ze per tien samengebonden met elastieken. Dat duurt een uur of 2-3, en meestal stoppen Jennifer en ik ergens halfweg dat proces. De derde fase is ze inpakken per honderd, om ze dan zo in de koelkast te steken tot ze getransporteerd worden.

Na de middag moeten wij niet meer werken, en dus hebben we tijd voor andere zaken. Op zondag neemt Robin ons en Alex mee naar een paar mooie plaatsen in de omgeving van Oldina. Een leuke waterval wordt ontsierd doordat het water bruin is door basaltroest, maar op de foto's die Jennifer neemt lijkt het helder. Even later komen we bij "the big tree", een vierhonderd jaar oude eucalyptusboom met een omtrek van 16 meter. Mijn laconieke opmerking "wow, that's a big tree" bezorgt Jennifer een kleine lachstuip. Een ietwat jongere broer van de eucalyptusboom in de buurt doet me denken aan het dorp van de aliens in Avatar, en zo komen we op de weg naar de derde attractie terecht in een discussie over scifi en literatuur in het algemeen.

The Nut is een vulkanische plateaurots op een schiereiland bij het dorpje Stanley. Ik ben niet onder de indruk wanneer ik erover lees in mijn toeristische gids, de Lonely Planet, omdat veel zaken daarin zo overdrijvend beschreven worden dat men teleurgesteld raakt bij het zien van iets dat op zich wel bijzonder is. Mijn mening verandert echter wanneer we daar toekomen: The Nut is een bijna platte schijf met een straal van ruwweg 100m, die zich 150m boven zeeniveau verheft. Elk uitkijkpunt geeft een spectaculair zicht over een deel van het noorden van het eiland, met haar stranden en rotsformaties en idyllische dorpjes. De wanden gaan bijna recht naar beneden, en het pad naar de top is bijzonder steil, en zwaar voor de dijspieren. Robin en Alex blijven beneden en eten ijsjes terwijl Jennifer en ik de boomloze rots verkennen.

Op de terugweg naar de boerderij zit ik achterin, en doe ik wat onnozel met Alex. Hij zegt dat hij een tijger is, en later begint hij te spreken over krokodillen, maar hij spreekt het ongeveer uit als "fuckodile". Met zijn armen doet hij de muil van de fuckodile na, en hij "bijt" in mijn arm. Ik zeg dat hij dan een crocodile is. Als hij niet weet hoe te antwoorden op iets, zegt hij altijd heel braafjes "yes" op de toon van een Britse lord, en dat doet hij nu ook. Zijn papa moet dan ook een krokodil zijn, zeg ik, een heel grote. Daarop zegt hij "no daddy is not a fuckodile" en ik giechel. Later leer ik hem "nooooooo" zeggen zoals Weebl van Weebl and Bob, en hij vindt dat heel grappig.

Maandagnamiddag moet Robin naar Burnie voor een conventie - ze is bezig aan een PhD in de sociologie - en Jennifer en ik gaan mee naar de stad. We zetten ons in de McDonalds voor een uurtje, om terug een beetje mee te zijn met wat het internet ons brengen wil, en daarna brengen we een leuke namiddag door op het strand. We wandelen wat rond, we zwemmen, en leggen ons te drogen in de zon, want ik ben vergeten mijn handdoek mee te brengen.

Daarna gaan we terug naar de McDonalds, omdat Robin ons daar zal komen ophalen. Ik koop onderweg een aantal kaartjes en wat postzegels. Voor die dag heb ik in mijn leven waarschijnlijk niet meer dan 10 kaartjes geschreven, en ik heb eerst geen idee wat ik erop moet zetten. Dan komen er een paar ideetjes op, en ik schrijf de meest onnozele dingen op - sorry aan degenen die diepzinnigheden en/of leuke nieuwtjes verwachtten ! Er gaan in totaal 13 exemplaren naar de Amber, en nog een paar naar mensen die daar niet zo vaak komen. Nadat ik ze op de post gedaan heb, besef ik dat ik vergeten ben om Airmailstickertjes te vragen, en volgens Kees kan het zijn dat ikzelf nog eerder in de Amber terechtkom dan de kaartjes :-(

Tegen dinsdag heb ik een mooie collectie blaren op mijn handen, allemaal opgelopen bij het plukken van dauwnatte bloemen. Dat is het zwaarste werk, want je hoort de geplukte planten onder je arm te houden tot je ze nog amper kan dragen. Omdat het een lange werkdag zal zijn voor de anderen - het plukken heeft langer geduurd dan anders - besluiten Jennifer en ik ook in de namiddag te werken: zij tegen betaling, ik om de woensdag vrij te hebben zodat mijn blaren wat kunnen genezen. Het laatste stadium is heel wat zwaarder dan de dag dat we hier toekwamen, omdat we er tegen dan al 7u arbeid op zitten hebben. Yours truly ziet ietwat af want ik ben geen fysiek werk gewend, maar ik ga er niet om wenen en werk stug door. Nikki zegt dat ik goed werk, en dat dat haar verbaast want de meeste WWOOFers pakken alles nogal chill aan. Ik ben ook verbaasd, want op mijn vakantiejobs in de industrie in Belgie werd ik meestal wat uitgefoeterd omdat ik traag werkte.

Op woensdag doe ik een hele dag helemaal niks constructiefs, behalve het afwerken van een korte creatieve tekst. Het valt me in dat ik die misschien kan insturen voor de schrijfwedstrijd van Departuur, als de tekst half-en-half in het thema past. Dat er wat logistiek geharrewar van zal komen om een papieren versie in te dienen, neem ik erbij. 's Namiddags beslist Jennifer om de dag erna al te vertrekken, zodat ze langs Wineglass Bay kan passeren alvorens haar volgende WWOOFing in Hobart te beginnen.

Op dinsdagavond zijn Brent en Steffen in de bush in de omgeving gaan jagen, en ze hebben een kleine wallaby geschoten. We worden allemaal uitgenodigd om het beest op donderdagavond te komen opeten in het huis waar Nikki, Steffen en Kassie tijdelijk wonen. Het intussen gevilde dier ziet eruit als een groot uitgevallen stoofkonijn, en wordt in de oven gestoken. We barbecuen ook wat steaks en worsten, want de wallaby zal waarschijnlijk niet genoeg zijn voor ons zessen. Een uur later halen we het beest uit de oven, en het blijkt dat het nog steeds niet volledig doorbakken is. We hebben al genoeg gewacht en beginnen er toch aan, grappend dat Kees misschien morgen geen werkvolk zal hebben. Het vlees van de wallaby is bijzonder zacht en lekker, maar raakt niet volledig op omdat het moeilijk loskomt van de botten. Na het eten begint Steffen wat te tokkelen op een akoestische gitaar terwijl we allemaal wat loze verhaaltjes vertellen en pinten drinken. Rond 10u gaat iedereen weg, want we moeten - behoudens voedselvergiftiging - de dag erna weer om 6u op. Cory voert me naar huis en we babbelen wat over universiteiten en gekke mensen daar.

Het spectaculairste dat gebeurt op vrijdag is een middagdutje. Ik lees daarna ongeveer 150 pagina's in Crime and Punishment, en raak moeilijk in slaap. Op zaterdag hebben we een andere taak, namelijk het ontwortelen van tulpenbollen. Mijn handen, al overdekt met de littekens van een week nattestengelsplukken, zien af op de enige plaats die ietwat gespaard gebleven was: tegen de middag zijn mijn duimen allebei een volledige laag dode huid kwijt. Wanneer ik terugkom, blijkt dat er twee nieuwe Japanse WWOOFers toegekomen zijn. Hun Engels is zoals altijd hirarisch en hun basisrespons op alle opmerkingen is "ooooo". Ik heb intussen contact opgenomen met Prue en Onno, en zij komen me de dag erna ophalen in Ulverstone. Robin moet daar sowieso passeren omdat ze naar Devonport moet, en ze voert me naar de McDonalds daar, zodat ik kan WiFien.

0 reacties:

Een reactie plaatsen