Die donderdagavond heb ik in de Metro YHA, voor ik op zoek ging naar een bed, ook nog Florence en Marion ontmoet, twee evenzeer Waalse meisjes die ook zouden meegaan op de road trip. Veel kwam ik nog niet over hen te weten, ik was iets te veel bezig met me zorgen maken waar ik ga slapen. We hebben daar toen afgesproken om om 7u een taxi te nemen naar de haven, om op tijd te zijn voor onze ferry.
Ik kom vijf minuten voor tijd aan bij de YHA, en ik besef daar dat ik vergeten ben mijn ticket af te printen. Ik had gepland om dat de avond tevoren in het hostel te doen, maar Bozo's had geen printer. Ik haast me naar binnen en spendeer een dollar aan 2min internet en een dollar aan 2 blaadjes afprinten. Buiten moeten we 5min wachten op de taxi, die we extra groot besteld hebben aangezien we met 5 zijn en zwaar geladen. Ik laat weten aan de meisjes dat Justine door is naar de finale van de Australian Open, want dat heb ik vlug opgezocht terwijl ik wachtte op de printer, and there was much rejoicing.
De taxichauffeur is zwart en luistert naar a capella gezang in een bizar mooi klinkende taal. In de auto kom ik te weten dat de dames elkaar allemaal kennen van de scouts, en dat Florence en Marion maar een maand in het land blijven. Ik vertel kort wat mijn reiservaringen tot nu toe, en maak duidelijk dat ik er een sport van maak allemaal random dingen te doen met zo weinig mogelijk, en vaak (soyons honnetes) te weinig voorbereiding. Ik heb nog geen tent of slaapzak - we gaan kamperen - en heb geen idee wat er allemaal te zien valt in Tasmanie. Marion kijkt wat bedenkelijk, maar de andere drie lachen eens en zeggen dat we er wel iets op vinden.
Laurence is de knapste van de vier; ze is de enige met een lief en lijkt benauwend goed op mijn knettere ex Vicky. Ze is relatief serieus, en (in tegenstelling tot laatstgenoemde) zachtaardig en zorgzaam. Ze is de stilste van de vier.
Net iets babbeliger, en maar net iets minder aantrekkelijk, is Florence, een opgewekte springintveld die om alles met haar ogen rolt en altijd wel een reden vindt om te glimlachen. Net als ik zegt ze overdag niet veel, en komt ze 's avonds wat meer tot leven. Chloe is een klein blond tettergat, de gangmaker en de meest sarcasitsche van de hoop. Ze is niet vaak degene die de stilte breekt, maar onderhoudt de conversaties meestal. Marion is 27 - de anderen 23 - en het is moeilijk haar rol in te schatten. Soms lijkt ze wat een buitenstaander, en soms plaagt men haar wat, maar voor het grootste deel van de tijd lijkt het evident dat ze op haar eigen manier gerespecteerd wordt. Ze is de grootste flapuit van de vier en zegt het vaakst domme dingen, hoewel ze gediplomeerd en praktiserend juriste is.
Allen kennen ze elkaar dus van bij de scouts, /le 'skut/, en Florence en Chloe hebben ook samen communicatiewetenschappen gestudeerd. Hun Nederlands is comme il faut schabouwelijk, en ze vinden het passief jammer dat het taalonderwijs in Wallonie zo bedroevend is. Ik spreek Frans met hen, natuurlijk, en soms wat Engels als een constructie in 't Frans te halsbrekend dreigt te worden.
Op de ferry blijkt dat ik in mijn haast drie dagen tevoren het verkeerde soort ticket geboekt heb, namelijk een privecabine van 155$. Een gewoon dagticket waarbij je op het dek moet blijven kost 65$. Ik profiteer ervan en neem 2 douches en slaap 4u, maar dat is natuurlijk nooit zijn 90$ waard. De wijvekens hebben een auto gehuurd in Devonport (TAS), een ruime jeep waar ik ook in pas. De eerste nacht heb ik nog geen tent of slaapzak, en ik sluit eeuwige vriendschap met een Duitse met een snor maar zonder naam voor een plaatsje in haar tent. Aan de receptie vraag ik een deken, die me bijzonder goed warm houdt.
De dag erop, na het tartines-au-Nutella-ontbijt dat een dagelijkse routine zal gaan worden, gaan we naar K-Mart voor mijn kampeergerei en naar Coles voor voedsel. Daarna vertrekken we naar Wineglass Bay over de tweede grootste snelweg van het eiland, die nergens meer dan een rijvak per rijrichting telt. Ruwweg de helft van de tijd slingeren we aan 30 per uur door haarspeldbochten, en al even vaak vergist Marion, designated driver, zich tussen de richtingaanwijzers en de ruitenwissers.
Onderweg komen we ontstellend vaak roadkill tegen, en soms moeten we slalommen om geen hoopjes dood vlees te pletten met onze zware wielen. Marion maakt een paar keer een fout omdat ze niet gewend is met het stuur rechts te rijden, en over de dagen komen we een drietal misselijkmakende bulten tegen. Die incidenten zijn nogal traumatiserend, maar de dieren die we overreden waren al dood of stervend, dus de horror bevindt zich vooral in onze hoofden. En op de bumpers van de auto's die vooral 's nachts de dieren overrijden natuurlijk.
Na een betrekkelijk zware rit, met een paar pauzes aan de hallucinante Bay of Fires, komen we aan bij Coles Bay, en daar slapen we op een camping. Het eerste dat we 's ochtends doen is de enorm mooie wandeling naar Wineglass Bay, met een fantastische lookout point halfweg. Op het strand zelf is het guur weer, maar we zijn er niet om zon te vangen. Ik denk veel en zeg weinig, zoals steeds overdag, en stap hard door op mijn langzaam stervende schoenen. Daarna gaan we op weg naar Port Arthur, via een grindweg die onze auto stofgrijsbruin maakt. 's Avonds maak ik de worsten klaar op de barbecueplaat in de nieuwe camping, en we eten onze beste maaltijd van de trip. Wanneer we naar de tenten wandelen, zien we een paar wallabies rondspringen op het terrein.
Port Arthur is een van de plaatsen waar Australie en Tasmanie in het begin van hun Westerse geschiedenis bekend voor stonden: het is een gevangeniskolonie. Het stadje is bijzonder goed bewaard, met blijkbaar slechts sporadisch restauraties. Weinigen verlieten de plaats in de 19e eeuw, en van hen keerden de meesten nog terug ook. Een bizarre plaats met een hoop lugubere en fascinerende feiten achter zich. Een paar uur later passeren we langs Hobart, en dat is de eerste plaats sinds Devonport waar ik gsmbereik heb. Hoewel het in Belgie 4u 's ochtends is, stuur ik toch een paar sms'en met basisinformatie rond. Sorry daarvoor, Katrien en Tien en ma !
Daarna volgen twee dagen bezoeken aan nationale parken in het noordwesten van het eiland: Lake St Clair en Cradle Mountain. Beide dagen doen we een wandeling van ruwweg 2u, om daarna weer de auto in te springen naar de volgende stop. Op maandag passeren we heel dicht bij de brandhaarden van bushfires, zo dicht dat we zon niet meer zien vanwege de rook, en de lucht achter de bergachtige horizonten is oranje. Er volgen enkele momenten van lichte paniek, maar we worden uiteindelijk gerustgesteld door een brandweerpatrouille langs de weg. De kerels zijn bijzonder relaxed en zeggen dat de weg naar Queenstown veilig is.
Op dinsdag komen we ook voorbij de bushfires maar dan lijkt het gevaar minder acuut, en we zijn amper bezorgd. De lucht wordt niet helemaal grijs, we zien de zon nog (maar ze is bloedrood) en we komen geen patrouilles tegen. 's Nachts gaan we op zoek naar wombats, en we spenderen een uur onder een heldere hemel. We zien, door de hulp van een Slavisch Engels sprekende man en zijn familie, zo'n dik log mininijlpaard lopen door de bush, op 2 meter van ons. Hij negeert ons, ondanks Marions gekir en de tientallen fotoflashes en het constante zaklamplicht dat op hem gericht wordt.
Wanneer we terugkomen, slenter ik naar het toilet. Op de terugweg schiet er plots iets hondachtigs heel snel m'n voeten voorbij. De meeste kleine dieren in Tasmanie zijn relatief traag, en mijn vermoeden wordt bevestigd door Laurence: zij heeft een Tasmanian devil gezien, maar had haar camera niet bij.
De dag nadien komen we terug naar Devonport. Ik zoek me een hostel, en ga de dames uitzwaaien op de ferry. Zij gaan nog een week samen rondtrekken vanuit Melbourne naar Adelaide toe, en daarna gaan Marion en Florence via Sydney terug naar huis. Laurence en Chloe blijven nog tot juni of zo. Ik heb geen idee hoe lang ik nog in Tasmanie ga blijven, dat maakt nu ook niet uit, en ga naar de McDonalds om voor de eerste keer in 5 dagen internetverbinding te hebben.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten